|
Als het paard op de volte en op de rechte lijn in buiging kan bewegen, kan gevraagd worden aan het paard of hij zijn buiging wil vergroten.
|
Door in schoudervoor meer lengtebuiging te vragen ontstaat de schouderbinnenwaarts. Door meer buiging in de lengte wordt ook het achterbeen gevraagd meer te buigen en meer gewicht over te nemen.
In de academische rijkunst wordt het paard via logisch opvolgende gymnastiserende oefeningen steeds sterker gemaakt. Daarbij is de oefening schouderbinnenwaarts een belangrijke oefening die het paard moet leren.
ZIJGANGEN
Schouderbinnenwaarts is een oefening uit de zijgangen.
De zijgangen hebben tot doel het paard soepel en ongedwongener in de bewegingen te maken. Door de zijgangen ontstaat een grotere mate van gehoorzaamheid. De zijgangen zorgen ervoor dat het paard de achterhand gaat gebruiken en verhogen het reageren op been- en teugelhulpen.
De zijgangen zijn dus een middel die leiden tot het doel: een soepel, buigzaam en wendbaar en bovenal rechtgericht paard. De zijgangen zijn geen doel op zich. De schouderbinnenwaarts wordt dus niet getraind omdat het in de klasse M1 getoond moet worden, maar wordt getraind om het binnenachterbeen van het paard te laten ondertreden en buigzaam en dragend te maken.
|
DEFINITIE

|
Bij de schouderbinnenwaarts loopt het paard in een voorwaarts, zijwaartse beweging, waarbij het lichaam van nek tot staart in de lengte gebogen is. Schouderbinnenwaarts is een zijgang op twee hoefslagen en drie of vier hoefsporen.
In de wedstrijdsport wordt schouderbinnenwaarts op drie sporen uitgevoerd. Het binnenvoorbeen loopt op een spoor, het binnenachterbeen en het buitenvoorbeen lopen samen op een spoor en het buitenachterbeen loopt op een spoor.
|
| |
In de klassieke rijkunst wordt de schouderbinnenwaarts ook op vier sporen uitgevoerd. Daarbij loopt de achterhand op de hoefslag en de voorhand op de binnenhoefslag. 3 sporen 4 sporen. |
| Geschiedenis

|
De schouderbinnenwaarts werd door de Hertog van Newcastle (1658) uitgevonden en werd destijds op de volte gereden. De grootste meester aller tijden François Robichon de la Guérinière (1733) bracht de oefening (‘’L’Epaule en dedans’’ in het Frans) op de rechte lijn. Andere grootmeesters in de geschiedenis betitelden de oefening als ‘’hoeksteen’’ van de dressuur, ‘’steunpilaar’’ van de rijkunst, ‘’moeder’’ van alle oefeningen en zelfs de ‘’aspirine’’ van de rijkunst, omdat de oefening alle rijkunstige problemen op zou kunnen lossen. |
| Doel

|
Het doel van de schouderbinnenwaarts is het paard te leren om met zijn binnenachterbeen onder zijn zwaartepunt te treden. Het grote voordeel ligt in het vermeerderd buigen van het binnenachterbeen en de daardoor vrijere beweging van de buitenschouder, omdat deze door het binnenachterbeen ondersteund wordt. Door het rekken van de buitenste rugspieren vergroot de aanleuningsbereidheid aan de buitenteugel. De schouderbinnenwaarts is vooral van grote waarde omdat het tegengas geeft aan de natuurlijke scheefheid en de oefening het paard linksom en rechtsom even soepel maakt. |
| Het aanleren van de oefening

|
Alle zijgangen worden in de Academische Rijkunst allereerst aan de hand geleerd. Daardoor leert het paard zonder ruitergewicht in deze zijdelingse bewegingsvorm voort te bewegen en balans te vinden. Later zal het paard onder het ruitergewicht de oefening veel makkelijker aanleren en uitvoeren. Alle zijgangen worden in slow-motion-stap aangeleerd, zowel aan de hand, als rijdend. Ruiter en paard hebben zo meer rust en tijd om de oefening uit te voeren en het paard leert bewust en gecoördineerd zijn benen te plaatsen. In eerste instantie zijn een paar passen voldoende en pas als hij sterker wordt kan een hele lange zijde gevraagd worden. |
| De ruiterhulpen

|
De ruiter begeleidt het paard in de schouderbinnenwaarts voornamelijk via het binnenbeen en de buitenteugel, de zogenaamde ‘’versale’’ hulpen.
- De buitenteugel is tegen de hals en leidt de schouders naar binnen.Het binnenbeen van de ruiter ligt op de singel, zorgt voor de buiging en drijft op het moment dat het binnenachterbeen in de lucht is om dit been onder de massa te brengen.
- Verder is de binnenteugel van de hals en deze teugel onderhoudt de stelling.
Het buitenbeen ligt achter de singel, onderhoudt de lengtebuiging en voorkomt het uitzwaaien van de achterhand.
|
| |
- De ruiter belast zijn binnenzitbeenknobbel om zo de buitenste, gestrekte rugspieren te ontlasten.
- De binnenzitbeenknobbel is als een wijsvinger die op de bodem wijst, waar het binnenachterbeen naar toe moet grijpen.
- Het centrum en zwaartepunt van de ruiter dat diep in zijn buik ligt, wijst als een compas rechtuit zodat het paard niet afwendt.
- De ruiter houdt verder zijn schouders parallel aan die van het paard en zijn heupen parallel aan de heupen van het paard.
|
| Variaties

|
- De schouderbinnenwaarts kan op de hoefslag gereden worden maar ook op de volte.
- Om te testen of het paard goed aan de buitenteugel is en niet over de buitenschouder valt kan halverwege de lange zijde een kleine volte gereden worden.
- Door in elke hoek van de rijbaan schouderbinnenwaarts te rijden wordt het afsnijden van de hoeken voorkomen.
- De oefening kan in stap, draf en tenslotte ook in galop geoefend worden. Schouderbinnenwaarts is van bijzondere waarde voor het rechtrichten in galop.
- Als voorbereiding op de oefening kan een kleine volte gereden worden of een hoek doorgereden worden, zodat het paard de benodigde lengtebuiging voor de oefening verkrijgt.
- De oefening kan beëindigd worden door een volte in te rijden of de voorhand terug te brengen voor de achterhand.
|
 |
Een slangenvolte rijden, met schouderbinnenwaarts op de hoefslag.
|

Let op
Bij het inzetten van schouderbinnenwaarts is het belangrijk dat de ruiter de schouders naar binnen leidt en niet de achterhand naar buiten zet:
 |
 |
| Correct: ''Shoulder-in'' cq ''Schulter-herein'' |
Niet correct: ''Quarter-out'' cq ''Kruppe-heraus'' |
Hoeksteen van de dressuur
Schouderbinnenwaarts wordt wel gezien als de hoeksteen van de dressuur, de steunpilaar van de dressuur en de aspirine van de dressuur tegen alle rijkunstige problemen.
- Door de gelijkmatige lengtebuiging draagt het bij aan het rechtrichten van het paard;
- Het paard wordt buigzamer;
- Het paard zal gemakkelijker zijn hals voorwaarts neerwaarts laten zakken en nageven;
- Het paard krijgt meer schoudervrijheid;
- Er ontstaat een sterkere belasting van het binnenachterbeen;
- Daardoor ontstaat meer buiging van het binnenachterbeen;
- De oefening is als voorbereiding op verzameling en zorgt voor meer evenwicht;
- Het paard wordt durchlässiger voor de hulpen;
- Het paard wordt lichter;
- Schouderbinnenwaarts geeft het paard een taktvollere stap, een meer uitdrukkingsvolle draf en een stabielere galop.
Hele stijve paarden die moeilijk inbuigen zijn dus zeer gebaat bij schouderbinnenwaarts.
Trainingsopbouw
- Train de oefening eerst aan de hand:

- Vervolgens wordt de oefening in een langzame dragende stap geoefend.
- Met dat het paard de oefening in stap beheerst, wordt de oefening aangeleerd in draf. Daarbij wordt aangeraden om door te zitten om zo goed gevoelscontact te behouden met de rug van het paard.
- Ook kan het paard gevraagd worden om de stap wat te verzamelen en wat te verruimen in de oefening.
- Als het paard de oefening in draf beheerst, kan de galop gevraagd worden .
- Zeker in galop is de schouderbinnenwaarts een rechtrichtende oefening, omdat de galop van nature een traversstelling is, waarbij het buitenachterbeen tussen de 2 sporen van de voorbenen wordt geplaatst in de eerste takt van de galop.
- Alle oefeningen kunnen in 3 sporen worden uitgevoerd en verzwaard worden door de oefening op 4 sporen uit te laten voeren. Daarbij moet het paard gebogen blijven en het binnenachterbeen naar het zwaartepunt toe blijven stappen. Het paard mag niet recht komen en gaan wijken, dan verliest de oefening de gymnastiserende werking.
|