Zodra het paard de ruiter volledig accepteert en volledig vertrouwt is met het gewicht op zijn rug is het paard ruitermak. Nu kan het inrijden beginnen, waarbij het paard de zit-, been- en teugelhulpen leert en los van de longe leert lopen.
Het paard is gewend om op de volte te lopen bij het longeren, dus bij het rijden van het paard wordt allereerst op de voltes gereden. Bij een volte loopt het paard op 2 sporen:
De binnenbenen van het paard moeten een kleinere volte lopen dan de buitenbenen.
Het binnenachterbeen is daarom altijd dragend en het buitenbeen zorgt voor drang naar voren (stuwkracht).
De binnenschouder blijft altijd wat terug en de buitenschouder van het paard moet ruimer grijpen.
Doelstelling
Doelstelling van de volte is dat het paard met juiste lengtebuiging loopt, zijn binnenachterbeen onder de massa plaatst en daarbij voorwaarts neerwaarts beweegt.
lengtebuiging & ondertreden
voorwaarts/neerwaarts
Daarbij komt het paard in aanleuning aan de buitenteugel en het buitenbit en wordt het paard negeeflijk op de binnenteugel en het binnenbit, wat door de hele opleiding verlangd wordt van het paard:
De buitenteugel
Het buitenbit
De wervelkolom
Het binnenbit
De binnenteugel
Kudde van hulpen
Van nature is het paard gewend om in een kudde te lopen. De leidende merrie loopt voorop en bepaald de richting van de hele groep. De hengst loopt achterin en bepaald het tempo. Verder reageert het paard op de paarden die links en rechts van hem lopen. Heel simplistisch gesteld: het paard blijft altijd achter die merrie, vòòr de hengst, tussen de andere paarden en loopt daarbij vol vertrouwen in het midden van de kudde. Het paard is gewend aan het reageren op anderen, dus daarom laat een paard zich goed berijden en bijvoorbeeld een solitair levend dier als een eland niet.
Bij het rijden moet de ruiter de rol van de omringende paarden overnemen: de leidersrol van de merrie om richting aan te geven, de drijvende rol van de hengst om het tempo te bepalen. De rol van de paarden links- en rechtsvoor neemt de ruiter over via de teugels en de ruiter begeleidt daarmee de schouders van het paard. De paarden links- en rechtsachter zijn de ruiterbenen die de beide achterbenen van het paard begeleiden.
Bij het inrijden wordt het paard geleerd om zich als het ware te gedragen in een kudde van zit-, been- en teugelhulpen.
Overnemen van hulpen van de longeur
De longeur heeft via hulpen vanaf de grond het paard geleerd om overgangen en tempowisselingen te maken. De ruiter gaat deze hulpen overnemen door zit-, been- en teugelhulpen te geven. Een paard leert een nieuwe hulp als volgt: Het paard heeft bijvoorbeeld geleerd om voorwaarts te gaan op het omhoog gaan van de zweephand. De longeur geeft deze bekende hulp en de ruiter geeft dan de nieuwe hulp: de kuitdruk. Bij consequent volhouden gaat het paard verband leggen tussen beide hulpen en gaat het paard uiteindelijk ook alleen op de kuitdruk, dus zonder hulp van de longeur, voorwaarts.
In eerste instantie wordt de teugel aan de kaptoom bevestigd om het paard niet in de mond te storen bij het aanleren van de teugelhulpen.
Stappenplan
In eerste instantie wordt de teugel aan de kaptoom bevestigd om het paard niet in de mond te storen bij het aanleren van de teugelhulpen.
Stap 1: Op de volte
Via het been, de teugels en de zit laat de ruiter in samenwerking met de longeur het paard wennen aan drijvende en remmende hulpen van de ruiter.
Stap 2: Volte vergroten
Door de volte te vergroten leert het paard de binnenteugel en het binnenbeen van de ruiter begrijpen.
Stap 3: Volte verkleinen
Vervolgens worden de buitenteugel en het buitenbeen begrijpelijk gemaakt door de volte te verkleinen.
Stap 4: Door de volte van hand veranderen
Laat het paard zich met de buitenhulpen naar een kleinere volte leiden, dan kan het paard gevraagd worden om van hand te veranderen door de volte heen.
Stap 5: Door de hele rijbaan rijden
Door de volte veel te vergroten kan het paard door de gehele baan worden gereden. Als het paard dat moeilijk vindt of het niet lang vol kan houden, wordt tussendoor steeds weer een volte gereden.
Stap 6: Slangenvolte
Heel belangrijk is de slangenvolte om het paard buigzaam en gehoorzaam aan de hulpen te maken.
Stap 7: Longe afnemen
De longeur geeft op het laatst geen enkele hulp meer ter ondersteuning, zodat de longe afgenomen kan worden. De ruiter herhaalt stap 1 t/m 6 waarbij de longeur in eerste instantie mee loopt met de oefeningen en geleidelijk aan afstand gaat nemen.
Stap 8: Bit
Bij één van de volgende trainingen wordt een bit toegevoegd (een kandare in de Academische Rijkunst). Het paard wordt dan met twee teugels gereden: een teugel aan de kaptoom en een (in eerste instantie doorhangende) teugel aan het bit. Zo kan het paard geleidelijk aan wennen aan het bit.
Zit-, been- en teugelhulpen
Op de volte moet het paard de volte rond maken en daartoe moet hij
zijn schouders tussen de teugels laten leiden (links)
de achterbenen tussen de benen van de ruiter laten plaatsen (rechts)
De binnenhand maakt halve ophoudingen om het paard te laten nageven op de binnenteugel.
Dit wordt ondersteund door het binnenbeen en de binnenzitbeenknobbel.*
Het binnenbeen drijft het binnenachterbeen tot ondertreden onder het zwaartepunt.
De binnenzitbeenknobbel drukt op de binnenste rugspieren, waardoor die spieren zich samentrekken en de binnenheup van het paard naar voren komt.
Zo buigt het paard zich in de gehele lengte door de wervelkolom van staart tot oor.
Het paard komt aan de buitenteugel.
* Met de tijd moeten deze hulpen de eerste teugelhulp overbodig maken. Uiteindelijk moet het paard zich om de zitbeenknobbel van de ruiter buigen.
Zo leert het paard het binnenachterbeen op verzoek van het binnenbeen onder de massa te plaatsen en de binnenheup naar voren te halen door de binnenzitbeenknobbel. Daarmee leert het paard goed te dragen met het binnenachterbeen en zo wordt het paard optimaal op de verdere opleiding voorbereid.
Corrigeren
Bij het rijden van de voltes moet het paard correct tussen de 2 teugels en 2 benen blijven in de buiging, alsof het paard als water door een tuinslang gaat.
Het op- of over de schouder lopen van het paard moet onmiddelijk gecorrigeerd worden.
Bij onvolkomenheden zoals:
op de binnen schouder vallen (plaatje rechts,
over de buitenschouder vallen (plaatje links),
bij het achterhand uitzwaaien
of niet ondertreden
moet de ruiter corrigeren met zijn binnen- of buitenbeen en binnen- of buitenteugel.
Variaties (slangen)voltes
De slangenvolte in stap en draf is enorm effectief:
De oefening maakt het paard soepel;
De oefening zorgt voor het verbeteren van de balans bij het paard;
Het paard moet steeds netjes van buiging veranderen en leert om niet op- of over de schouder te vallen;
De oefening leidt tot het verbeteren van het gevoel voor geometrische precisie bij de ruiter;
Het leert de ruiter het tempo vast te houden gedurende de bochten en de takt regelmatig te houden.
Dit is een goede oefening voor het jonge paard dat ingereden wordt. Maar ook voor volwassen paarden is deze oefening een aanrader.
Laatst aangepast op vrijdag, 30 september 2011 23:23