|
Als het paard de piaf geleerd heeft, kan het paard gevraagd worden om stuwkracht aan deze oefening toe te voegen. Daarbij is de stuwende kracht van het achterbeen niet naar achteren gericht (dus het paard zet zich niet als een sprinter af in de startblokken), maar het paard stuwt als het ware naar beneden de grond in om zo in oprichting te blijven.
Definitie
|

|
De passage is een verzamelde en verheven drafbeweging met weinig voorwaartse verplaatsing en een lang zweefmoment. De energie gaat meer naar boven dan naar voren. De bovenbenen van het paard worden bij een ideale uitvoering tot een horizontale lijn opgetild. De goed ondertredende achterbenen dragen meer gewicht en treden verend en krachtig voorwaarts-opwaarts. |
Samenhang piaffe en passage
Bij de piaffe is alleen de draagkracht als activiteit in de achterhand aanwezig. Het paard draaft als het ware op de plaats en beweegt zich nagenoeg niet voorwaarts. Bij de passage is naast draagkracht ook de stuwkracht als activiteit in de achterhand aanwezig. Het paard beweegt daarbij voorwaarts-opwaarts.
Draag- en stuwkracht
|

|
In de piaffe brengt het paard zijn achterbenen meer onder zijn massa, met gebogen, verende en soepele gewrichten. Het toevoegen van stuwkracht veroorzaakt de overgang van piaffe naar de passage of de uitgestrekte draf. |
Bij de passage is de stuwkracht gericht in een voorwaarts-opwaartse beweging (groene pijl).
- Bij de uitgestrekte draf is de stuwkracht gericht naar achteren (rode pijl).
Doel
In vroeger tijden was de passage een koningsdiscipline met als doel de koning majestueus langs het volk te dragen. Het paard heeft in de passage een zeer trotse en fiere uitstraling, zodat officieren zich ook op deze manier voortbewogen tijdens inspecties en parades.
In de academische rijkunst is de passage geen doel op zich. Het is een middel om het paard te ontwikkelen en biedt belangrijke voordelen bij de opleiding van het paard:
- De bespiering van de rug en de achterhand wordt versterkt en versoepeld.· De voorhand richt zich correct t.o.v. de achterhand.
- De oplettendheid en gehoorzaamheid aan de hulpen neemt toe.
De passage komt ook in de natuur voor bij hengsten die hun soortgenoten willen imponeren:

De Academische Rijkunst wil deze natuurlijke beweging en dit talent van het paard tot een zo hoog mogelijk niveau ontwikkelen onder de ruiter.
Elementen van de passage
Bij de passage moet de ruiter vijf elementen perfect op elkaar afstemmen:
- 1. Losgelatenheid
- 2. Vorm
- 3. Tempo
- 4. Takt
- 5. Schwung
Een paard dat door de rechtrichtende buigingsarbeid soepel is geworden in zijn spieren (1. losgelatenheid), neemt de juiste nageeflijke houding (2. vorm) aan. Het paard buigt in zijn achterhand en stuwt zodanig dat het paard de juiste snelheid (3. tempo) vindt en met een regelmatig ritme (4. takt) voorwaarts-opwaarts beweegt. Uiteindelijk laat het paard de machtige veerkracht (5. schwung) zien.
Het aanleren van de passage
|

|
Als u zelf nog nooit de passage heeft gereden, is het raadzaam om op een ervaren paard deze oefening te ervaren. Wanneer u het voorwaarts-opwaartse gevoel eigen gemaakt heeft, kunt u dit gaan overbrengen op uw eigen paard. |
Als het paard de zijgangen in verzamelde draf goed kan uitvoeren, kan piafferen en van daaruit schwungvol voorwaarts kan draven, dan is het paard voldoende voorbereid op de passage.
Ter voorbereiding kan de ruiter eerst overgangen rijden van de piaffe naar een voorwaartse draf. Vervolgens vraagt de ruiter het paard vanuit de piaffe beperkt naar voren te gaan in een voorwaarts-opwaartse beweging. Zo begint de passage zich te ontwikkelen. Met de jaren wordt de zwevende beweging volmaakter en mooier. Dit komt omdat het paard steeds krachtiger en energieker van de bodem afveert, de benen hoger kan optillen en gelijkmatiger wordt in tempo en ritme.
De ruiterhulpen
Tijdens de passage smelten de zit van de ruiter en de rug van het paard samen. De zit van de ruiter voegt zich naar de swingende paardenrug en de paardenrug voegt zich naar de zachte zit van de ruiter.
Stelt u zich voor dat uw zit een hand is en de paardenrug een bal.
- Men kan de bal op de plaats dribbelen: dat is vergelijkbaar met de piaffe.
- Men kan de bal sterk voorwaarts dribbelen tot een sterke draf.
- Men kan ook langzaam voorwaarts dribbelen met meer schwung, waarbij de bal krachtiger opveert. Zo ontstaat de passage.
De hulpen zijn verder als volgt:
- De ruiter rijdt eerst de piaffe en dient daarbij steeds goed te voelen welk achterbeen op de grond staat en welk achterbeen in de lucht is.
- De ruiter rijdt enigszins voorwaarts: telkens als een achterbeen naar voren treedt vraagt de kuit van de ruiter dit been om verder onder de massa te treden.
- De ruiter vraagt met zijn bekken om meer schwung, zonder uit het ritme te geraken (cq ‘’de bal te verliezen’’).
- Met een innerlijke metronoom onderhoudt de ruiter de takt en het ritme. Daarbij kan de ruiter in de beginfase het paard animeren met een ritmisch klakken met de tong.
- De ruiter onderhoudt de losgelatenheid en de nageeflijkheid.
Variaties
Door het rijden van de volgende variaties kan de passage vervolmaakt worden:
- Overgangen piaffe – passage. Dit bevordert de exacte controle over de draag- en stuwkracht.
- Overgangen passage – uitgestrekte draf. Dit bevordert de voorwaartse beweging en het ‘’zweven’’.
- Wendingen en slangenvoltes in de passage. Dit bevordert de rondere actie en de buiging in de voorbenen.
- Alle zijgangen in passage. Deze oefeningen helpen ook de voorbenen ronder te laten worden en de juiste activiteit van de achterbenen te stimuleren.
- Passage aan de hand. Dit kan van dienst zijn bij het aanleren.
|