Door van linksgalop naar rechtsgalop te wisselen of andersom, ontstaat de galopwissel.
De galop
De galop is van nature de gang van het paard waarin het paard vlucht. In de dressuur wordt de galop juist ingezet om het paard gecontroleerde oefeningen te laten doen waaronder de galopwissel.
De galop is een drie-takt en heeft ook een zweefmoment. Er is een linker- en een rechtergalop. In de rechtergalop grijpt het rechter benenpaar verder naar voren, in de linkergalop het linker benenpaar.
Rechtergalop:
De volgorde van het oplichten en neerzetten van de benen in de rechtergalop is:
Linkerachterbeen
Het diagonale benen paar: rechtsachter + linksvoor tegelijk
Het rechtervoorbeen
Zweefmoment
Linkergalop:
De volgorde van oplichten en neerzetten van de benen in de linkergalop is als volgt:
Rechterachterbeen
Het diagonale benen paar: linksachter + rechtsvoor tegelijk
Het linkervoorbeen
Zweefmoment
De galopwissel
Bij een vliegende galopwissel wisselt het paard in het zweefmoment van de rechtergalop naar de linkergalop of andersom. In het zweefmoment kan het paard van galop wisselen. Op de tekening springt het paard van de rechtergalop naar de linkergalop.
In fase 1 t/m 3 zit het paard in de rechtergalop.
In fase 4 vindt de galopwissel plaats waarbij het paard met alle vier de benen van positie wisselt en het rechterachterbeen naar voren komt.
In fase 5 springt het paard met het rechterachterbeen in de linkergalop aan.
Ernst Bachinger, hoofd van de Spaanse Rijschool
Voorbereiding
Als u zelf nog nooit een galopwissel heeft gereden, zoek dan een ervaren paard om de wissel op te leren. De galopwissel is een normale galopsprong en voelt, indien goed uitgevoerd, ook zo aan. Als u dit gevoel eigen gemaakt heeft, kunt u dit gaan overbrengen op uw eigen paard. Uw paard is klaar voor het aanleren van de vliegende galopwissel als het rechtgericht is en op beide handen op gelijke wijze in kan buigen. Het is belangrijk dat de ruiter de positie van de voorhand en achterhand precies kan plaatsen in galop. De oefeningen schouderbinnenwaarts en travers moeten daarom goed bevestigd zijn.
Tevens dienen de volgende oefeningen als voorbereiding:
1. Aangalopperen vanuit stap
Als het paard makkelijk aangaloppeert vanuit draf kan het paard geleerd worden om vanuit de stap aan te galopperen.
2. Overgang galop – stap
De overgang van galop naar stap bevordert de vaardigheid tot verzamelen. Belangrijk is dat het paard tijdens deze oefening bergopwaarts blijft.
3. Tempowisselingen in galop
Het is van belang dat de ruiter het tempo precies kan variëren. Rijdt het paard op een volte en verzamel het paard op het buitenachterbeen (traversmatig) en verruim door het binnenachterbeen meer onder te vragen.
4. De renversgalop (contragalop)
De renversgalop bevordert het rechtgericht zijn en het evenwicht. Rijdt het paard enigzins renversmatig in stap en spring vervolgens aan in renversgalop.
5. Overgang van renvers naar travers in stap
Wissel in stap op een rechte lijn een paar keer van travers naar renvers. Zo leert het paard steeds het andere buitenachterbeen onder te massa te plaatsen.
6. Eenvoudige wissel
Maak een overgang van galop naar stap. Wissel in drie a vijf passen van buiging en spring aan in de andere galop. Het aantal stappassen kan met de tijd teruggebracht worden naar één.
Maak de hele overgang cq hele ophouding steeds korter.
Uiteindelijk zal het paard bij een halve ophouding al wisselen.
(Eigenlijk is dat ongehoorzaamheid van het paard en wacht het paard niet, maar toch moet dit in eerste instantie beloond worden. Later moet het paard wel onderscheid leren maken tussen een overgang galop - halt en de galopwissel.)
De vliegende galopwissel
Door het paard in het zweefmoment van licht renvers naar licht travers te wisselen ontstaat de vliegende galopwissel. De wissel ontstaat doordat de ruiter zijn nieuwe zitbeenknobbel belast, die daardoor druk uitoefent op de binnenste rugspier. Deze trekt samen, waardoor de nieuwe binnenheup naar voren komt en het nieuwe buitenachterbeen onder de massa komt.
De ruiterhulpen
Om deze reflex te ondersteunen worden de volgende hulpen gelijktijdig ingezet in het moment van de zweeffase:
Het nieuwe binnenbeen komt op de singel.
De nieuwe binnenteugel en het nieuwe buitenbeen ondersteunen de nieuwe buiging om de binnenzitbeenknobbel en het binnenbeen van de ruiter.
Het nieuwe buitenbeen komt achter de singel en drijft het nieuwe buitenbeen naar voren (denk aan travers).
De ruiter kijkt over de nieuwe binnenschouder naar voren.
Vergeet niet te belonen en stop meteen als de wissel voor de eerste keer lukt, om de goede uitvoering als het ware te verankeren.
Variaties
Het is aan te raden in het begin de wissel steeds op dezelfde plaats in de rijbaan te vragen, totdat de wissel op die plaats bevestigd is. Deze vaste plaats moet een plaats zijn op een rechte lijn en niet in een hoek. Daarna kunt u gaan wisselen op andere plaatsen.
Bijvoorbeeld:
Op de lange zijde van renversgalop naar galop en andersom
Op de diagonaal
Appuyeer van de middenlijn naar de hoefslag en wissel op de hoefslag
Appuyeer van de hoefslag naar de middenlijn, wissel en appuyeer weer terug
Rijdt een grote volte, wissel op X en rijdt een grote volte de andere kant op
Rijdt een slangevolte rijden en wissel iedere keer dat u de middenlijn passeert
Wissel op de volte van renversgalop naar galop en andersom
Series
Als het paard geleerd heeft te wisselen op de ruiterhulpen en daarop 100% zeker reageert, kan met de wissels om de zes, vier, drie of twee passen gaan aanleren.
Het blijft een terugkerend thema of de wissel om de pas een klassieke oefening is of niet. Deze oefening is van oorsprong een circusoefening en is pas in de 19e eeuw uitgevonden door Baucher. Maar het is bovenal knap als paard en ruiter deze oefening moeiteloos uit kunnen voeren.
Laatst aangepast op vrijdag, 30 september 2011 23:31