Een travers op de diagonaal wordt ook wel appuyeren
DEFINITIE
Bij het appuyeren beweegt het paard over de diagonaal waarbij het paard in lengtebuiging, in een voorwaarts-zijwaartse manier beweegt en kijkt in de richting waar hij heen gaat. Tijdens het appuyeren treedt het paard afwisselend met het binnen- en het buitenachterbeen onder het zwaartepunt. De buitenbenen treden voorlangs en voorbij de binnenbenen.
Het paard in beide draagmomenten:
1. Hetbuitenachterbeen grijpt naar het zwaartepunt toe.
2. Het binnenachterbeen grijpt naar het zwaartepunt toe.
Het appuyeren is hetzelfde als het rijden van de travers, met het verschil dat de oefening niet langs de wand wordt uitgevoerd, maar op de diagonaal van de rijbaan. Dus het paard moet echt op eigen benen lopen en heeft geen steun aan de wand meer. Stelt u zich eens voor dat de wand met de hoefslag over de diagonaal loopt en rijdt langs die denkbeeldige wand travers, dan ontstaat vanzelf het appuyement.
Bij het appuyeren moeten de schouders altijd voor de achterhand uitgaan. Op elk moment tijdens het appuyeren moet het paard schouderbinnenwaarts rechtuit kunnen lopen. U weet dan zeker dat het paard de juiste vorm heeft tijdens het appuyeren. Voor paarden die nog niet sterk genoeg zijn en hun balans snel verliezen is het zelfs raadzaam om het appuyeren af te wisselen met het rechtuit rijden in schouderbinnenwaarts.
HET AANLEREN
Met appuyeren kan pas begonnen worden als het paard de oefeningen schouderbinnenwaarts en travers geleerd heeft. Het appuyeren wordt allereerst aan de hand geleerd, daarna rijdend. In eerste instantie zijn een paar passen in stap voldoende en pas als het paard sterker wordt kan een hele lange zijde gevraagd worden. Als het paard de oefening in stap kan uitvoeren, kan het appuyeren ook in draf en tenslotte ook in de verzamelde galop geoefend worden.
RUITERHULPEN
Als voorbereiding op de oefening rijdt de ruiter rechtsom een volte of schouderbinnenwaarts. De ruiter verplaatst vervolgens zijn zwaartepunt richting de diagonaal en vraagt het buitenbeen onder de massa.
De hulpen tijdens het appuyement zijn verder analoog aan die van de travers:
De ruiter belast zijn binnenzitbeenknobbel om zo de buitenste, gestrekte rugspieren te ontlasten.
Het zwaartepunt dat diep in de buik van de ruiter ligt gaat richting het binnenvoorbeen.
Het binnenbeen ligt op de singel en onderhoudt de lengtebuiging.
Het buitenbeen van de ruiter ligt achter de singel en drijft op het moment dat het buitenachterbeen in de lucht is om dit achterbeen onder het zwaartepunt te brengen.
De binnenteugel onderhoudt de stelling in de hals en de nageeflijkheid.
De buitenteugel bepaalt de mate van stelling.
De ruiter houdt verder zijn schouders parallel aan die van het paard en zijn heupen parallel aan de heupen van het paard.
De ruiter kijkt tussen de oren van het paard door in de richting waard de combinatie heen gaat.
VARIATIES
Het ¼ appuyement voert naar het midden van de korte zijde en in deze oefening is het paard minder gebogen. Het paard gaat meer voorwaarts dan zijwaarts.
Bij ½ appuyement heeft het paard de buiging gelijk aan een volte van 10 meter. Het paard gaat net zoveel voorwaarts als zijwaarts, zodat de stuw- en draagkracht van de achterhand in gelijke mate aanwezig is.
Bij het ¾ appuyement is het paard meer gebogen en beweegt het paard naar het midden van de lange zijde. Het paard gaat meer zijwaarts dan voorwaarts.
Bij een heel appuyement heeft het paard de maximale buiging en gaat het paard meteen zijwaarts. Een minimum aan voorwaarts bewegen moet wel aanwezig blijven, zodat de buitenbenen steeds voor de binnenbenen langs kunnen.
Het is aan te raden alle varianten rustig te oefenen en u niet te beperken tot één variant.
Mocht een paard bij het naderen van de wand de neiging hebben om zijn buiging verliezen, dan is aan te raden om het paard door te rijden in renvers, zodat het paard leert wachten.
Als het paard sterker wordt en de oefening met gemak gaat uitvoeren, kan de ruiter zigzagappuyementen gaan oefenen.
Afwenden op de AC lijn, het paard in schouderbinnenwaarts zetten en vervolgens in travers over de diagonaal laten bewegen.
Let op:
Het paard moet de hoek correct doorrijden, zodat de oefening als die direct na de hoek gereden wordt, goed uitgevoerd kan worden.
Als het paard niet goed de hoek doorgaat, valt de achterhand naar binnen. Het appuyement kan zo nooit goed ingezet worden. De schouders moeten namelijk voor de achterhand blijven.