GALOP E-mail
Gemaakt op 2006-12-17 18:34   
AddThis Social Bookmark Button

Wat zijn de hulpen om mijn paard aan te laten springen in galop?

Korte wedervraag voordat u verder leest:

  • Met welk achterbeen springt het paard aan in de linkergalop?

Beenzetting in de galop

Op het bewegende plaatje ziet u de linkergalop, bestaande uit een 3-takt:

  1. Fase 1: Het paard zet af met het het rechterachterbeen.
  2. Fase 2: Vervolgens zet hij een diagonaal paar benen op de grond: linksachter en rechtsvoor.
  3. Fase 3: Dan volgt het linkervoorbeen.
  4. Zweeffase.

 Fase 2: neerzetten van de diagonaal.

Met de juiste hulpen moet men het paard dus ondersteunen om de galopbeweging, die start met het rechterachterbeen (bij een linkergalop), in te leiden.

Wanneer beginnen met galoparbeid?

De galop is een gesprongen gang en de galop stelt het paard in de gelegenheid zich te sterk te maken door de overwegende stuwkracht van de galop. In de natuurlijke galop wordt namelijk per definitie het complete lichaamsgewicht van het paard bij elke sprong nadrukkelijk op de voorhand geworpen. Het vermogen van het paard om zijn achterbenen in de gewrichten te buigen en last over te nemen van de voorhand draagt bij tot een goede rijkunstige galop. Dus het is aan te raden eerst zijgangen in stap en draf te rijden (schouderbinnenwaarts, travers) om het paard buigzaam in en dragend op de achterhand te maken.

Gustav Steinbrecht (1808 - 1885) zegt in zijn boek ''Das Gymnasium des Pferdes'': ''Het was de gewoonte van de oude meersters om hun paard eerst in draf door te werken tot de piaffe, voordat ze met het galopperen begonnen''.

Francois Robichon de La Gueriniere (1688 - 1751) stelt dat de ruiter niet met het paard moet galopperen voordat het soepel is gemaakt in de draf en het paard niet neigt tot leunen op de hand of trekken aan de hand. Hij stelt in zijn boek ''Ecole de Cavalerie'': ''Het is belangrijk om te wachten totdat het paard zijn hele lijf soepel is, buigzaam is en gehoorzaam is op de beenhulpen in de passage en licht is geworden in de piaffe tussen de pilaren. Als het paard deze graad in gehoorzaamheid heeft bereikt kan met galopperen aangevangen worden''.

In deze tijd van wedstrijddressuur wordt echter al veel eerder aangevangen met galop. Aan u de keus en wijsheid.

Mogelijkheden

Er zijn meerdere mogelijkheden om een paard te conditioneren voor het aanspringen in galop d.w.z. er zijn vele varianten om aan te springen in galop. In de literatuur zijn er nogal wat verschillen aan te treffen:

  • De galop wordt OF met het binnenbeen van de ruiter EN/OF met het buitenbeen van de ruiter ingeleid.
  • Het buitenbeen van de ruiter ligt IETS naar achteren of een HELE handbreedte.
  • De ruiter moet OF juist zijn gewicht wat op zijn buitenzitbeen brengen OF juist op zijn binnenzitbeen.
  • In combinatie met deze been- of zithulpen wordt een teugelhulp gegeven met OF de binnenteugel OF de buitenteugel.

U ziet: er zijn nogal wat variaties mogelijk!

Welke hulp of combinatie van hulpen u ook kiest, u moet in ieder geval consequent blijven in uw hulpen!

Hieronder enkele mogelijkheden voor het aanspringen in galop:

Gustav Steinbrecht (1808 - 1885)

Om het jonge paard te leren aangalopperen:

  • Naar de hoek van de rijbaan toerijden.
  • Met de buitenteugel de schouders iets voor de achterhand plaatsen.
  • Met het binnenbeen het binnenachterbeen aanzetten om verder naar voren te treden en aan te springen.
  • De handen onthouden zich van enige inwerking zodra de galop ingezet is.
  • Het lichaam van de ruiter is licht voorwaarts geneigd.
  • De onderbenen zijn naar achteren gericht en omvatten losjes het paardenlichaam, om elke moment gereed te zijn te drijven.
  • De zit is licht en losjes, om zo goed mogelijk met de bewegingen mee te kunnen gaan en te voelen wanneer en waar het paard ondersteuning nodig heeft.

Richard Wätjen (1891 - 1966)

  • Rijdt het paard op de volte of rijdt naar een hoek toe.
  • Rijdt meer voorwaarts.
  • Drijf met uw binnenbeen en met uw buitenbeen.
  • Maak een halve ophouding met de buitenteugel.
  • Evt. een tikje met de zweep op de binnenschouder.

Nuno OIiveira (1925 - 1984)

Het makkelijkste voor het paard is het aangelopperen uit een zeer verzamelde draf:

  • Het buitenbeen heel iets naar achteren leggen.
  • Het ruitergewicht op het buitenzitbeen verplaatsen.
  • De buitenschouder wat terugnemen.

Als het paard op beide handen zonder moeilijkheden aangaloppeert en in galop rustig blijft is het ogenblik daar om het aangalopperen uit stap te trainen.

Wilhelm Müseler (1887-1952)

  • Een halve ophouding maken om het paard opmerkzaam te maken voor bv. linkergalop.
  • Het paard in de linkerstelling brengen.
  • De ruiter zit in de linkszit, de binnenheup van de ruiter is daarbij naar voren.
  • Het binnenbeen ligt op de singel, het buitenbeen ligt een handbreedte achter de singel.
  • De binnenzitbeenknobbel van de ruiter wordt energiek naar voren gedrukt.
  • Beide benen drukken het paard voorwaarts, vooral het binnenbeen van de ruiter.
  • Beide teugels geven gelijkmatig na.

FN-richtlijnen (Duitsland)

  • De meeste paarden galopperen makkelijker in de linkergalop dan de rechtergalop. Daartoe is het het makkelijkste om op de linkerhand op de grote volte te draven en bij het bereiken van de gesloten zijde van de volte aan te galopperen.
  • Rijdt meer voorwaarts.
  • Drijf met de het binnenbeen het paard in de galop evt. ondersteund met een zweephulp.

Stichting Opleiding Ruiter Unie Nederland (ORUN)

  • Binnenteugel is van de hals voor de juiste stelling.
  • Buitenteugel tegen de hals begrenst de buitenschouder en maakt een halve ophouding om de diagnonale beenzetting te verbreken.
  • Binnenbeen is op de plaats en geeft opdracht om het binnenachterbeen verder onder te laten treden en buiging te krijgen.
  • Buitenbeen achter de singel, waakt tegen het uitzwaaien van de achterhand en activeert het buitenachterbeen. Beide benen drukken door naar galop, waarbij het binnenbeen het meest actief is.
  • Bovenlichaam stil en rechtop voor de balans.
  • Op het moment van aanspringen staan beide handen toe zonder de spanning op de teugels te veranderen.

Academische Rijkunst

Bij Paarden Begrijpen wordt volgens de Academische Rijkunst het paard geleerd aan te springen:

  • Het paard wordt eerst sterker gemaakt via de zijgangen in stap en draf (schouderbinnenwaarts, travers, renvers, appuyeren). Het paard moet  de travers in stap en draf kunnen uitvoeren, voordat met galopperen aangevangen wordt.
  • Het paard wordt dan op de volte gevraagd in een lichte traversstelling. Dat zorgt ervoor dat het achterbeen waarmee het paard moet aanspringen alvast in de goede postitie wordt gesteld. Het ene paard springt makkelijker vanuit stap aan, het andere vanuit draf. Aan het paard in eerste instantie de voorkeur.
  • Het buitenbeen van de ruiter ligt achter de singel en vraagt de eerste takt van de galop: de afzet van het buitenachterbeen.
  • De binnenzitbeenknobbel wordt door het terugleggen van het buitenbeen automatisch meer belast en de binnenheup van de ruiter komt ook automatisch meer naar voren. Het paard is daardoor gebogen om de binnenzitbeenknobbel van de ruiter.
  • Daarbij wordt een korte ophouding gegeven (kort sluiten van de hand en weer openen, alsof u water uit een spons knijpt) op de buitenteugel. De buitenschouder wordt zo begrenst. Zo wordt het paard geanimeerd om met het buitenachterbeen aan te springen.
  • Het binnenbeen van de ruiter ligt op de singel voor het onderhouden van de buiging en het ondertreden van het binnenachterbeen.
  • De ruiter kijkt waar hij heen gaat.
  • De zit galoppeert, dus niet de schouders van voor naar achter laten gaan, maar stil boven het paard houden.

Vervolgens worden tempowisselingen gereden op de volte:

  • Via het buitenbeen van de ruiter wordt het paard in de traversstelling gevraagd om meer te verzamelen.
  • Via het binnenbeen van de ruiter wordt het paard gevraagd vermeerderd onder te treden met het binnenachterbeen in een meer schouderbinnenwaartsachtige stelling.

Vooral de schouderbinnenwaarts is DE rechtrichtende oefening in de galop. Francois Robichon de La Gueriniere (1688 - 1751) raadt in zijn tijd al aan het paard in schouderbinnenwaarts te galopperen op de rechte lijnt om het paard te leren om zijn binnen achterbeen dichtbij het buitenachterbeen te brengen en het paard als het ware te laten ''zitten'' op zijn achterhand. Als het paard soepel is gemaakt in deze houding is het voor het paard gemakkelijk om verzameld te galopperen.

***

Wilt u meer lezen over de galop en de verschillen in de rijkunst:

  • Erhard Semadeni - ''Reitkunst Alter Meister'' - ISBN 3-275-01477-3.
  • François Robichon de la Guérinière: "Reitkunst", ISBN0-933316-01-1
  • Gustav Steinbrecht: "Das Gymnasium des Pferdes", ISBN 3-87248-038-3 R
  • Nuno Oliveira: "Gedanken über die Reitkunst", ISBN 3-487-08383-3
  • Ruth Giffels ''Galop und Fliegende Wechsel''' ISBN 3-86127-395-0
  • ORUN - ISBN 90-70794-05-5

 

Laatst aangepast op vrijdag, 12 oktober 2007 22:27
 

Plaats reactie

 

 



Laatste berichten
Laatste reacties
Meest gelezen artikelen

 
 
  Shop   Programma's   Over PaardenBegrijpen   Links  
  Studiepakket Rechtrichten   Premium lidmaatschap   Marijke de Jong   AcademicArtOfRiding.com  
  Kaptoom   Instructeurscursus   De paarden   Rechtrichten.com  
  Teugel       Accommodatie & Route   Kaptoom.nl  
  Bare Back pad       Historie   Marijke de Jong  
              Instructeurs Rechtrichten    
                 
                 
 
 

Contact | Pers | Algemene voorwaarden | Disclaimer | Policy | Realisatie: CyberNed