|
Gemaakt op 2006-10-15 17:59
|
|

|
De ruiter houdt het paard tijdens het rijden tussen een ''kudde'' van hulpen. De ruiterhulpen omringen het paard en het paard loopt veilig in het midden:
- de ruiter bepaalt de richting (de leidende merrie)
- de linkerteugel zorgt dat het paard linksvoor niet uitbreekt
- de rechterteugel begeleidt de rechterschouder
- het linkerbeen zorgt ervoor dat het linkerachterbeen in het gareel blijft
- het rechterbeen begeleidt het rechterachterbeen
- de ruiter bepaald het tempo (de drijvende hengst)
|
De ware rijkunst schuilt in het ‘’uitbalanceren’’ van het paard door het op het juiste moment en in de juiste sterkte geven van beenhulpen (achter) en teugelhulpen (voor). De drijvende hulpen en de begrenzende hulpen moeten elkaar aanvullen en in evenwicht zijn. De drijvende hulpen zijn het belangrijkst, want slechts vanuit de achterhand kan verzameling bereikt en behouden worden. De begrenzende teugelhulpen houden alleen tegen, maar hebben absoluut geen terugtrekkende werking.
De totale ruiterhulpen bepalen het frame: het paard loopt bijvoorbeeld in linksbuiging of in rechtsbuiging. Of het nou op een volte is of in schouderbinnenwaarts, travers, renvers, een pirouette: De ruiter bewaakt de buiging tijdens deze oefeningen met zijn ''kudde van hulpen''.
N.B. Een eland laat zich in tegenstelling van een paard niet berijden. Dat komt omdat dat geen kuddedier is, maar een solitair leven wezen. Hij kent het dus niet om van voor, achter, links of rechts in het gareel gehouden te worden.
|
|
Laatst aangepast op zondag, 02 oktober 2011 16:41 |