|
|

|
''Ik begrijp wel dat ik geen buiging naar binnen kan vragen als de buitenhand vervolgens geen ruimte geeft, maar er wordt toch altijd gezegd dat je het paard aan de buitenteugel moet rijden?''
|
Aangezien het paard in alle voltes en zijgangen lengtebuiging heeft, mag de buitenteugel NOOIT terugwerken:
- Het paard moet namelijk aan de buitenkant kunnen stretchen en zijn spieren lang kunnen maken tijdens de rechtrichtende buigingsarbeid.
- Het paard moet zijn buitenschouder vrij kunnen bewegen.
De buitenteugel mag wel de voorhand voor de achterhand zetten, maar het paard nooit kort maken aan de buitenkant.
Samenwerking binnen- en buitenteugel
De volgorde:
1. De binnenteugel vraagt stelling en de buitenteugel geeft ruimte. Het binnenbeen vraagt het binnenachterbeen onder de massa.
2. Als het paard nageeft op de binnenteugel, is dat een teken dat het paard z'n spieren aan de binnenkant aanspant, de buitenspieren rekt en ondertreedt met zijn binnenachterbeen.
3. Het paard komt nu AAN de buitenteugel. Dat doet hij zelf. Hij legt zich er als het ware in, maar dat doet hij alleen als hij correct buigt en zijn binnenkant aanspant en dus nageeft op de binnenteugel.
Uiteindelijk heeft u wel aanleuning op de buitenteugel, maar die ontstaat door de buiging en het rekken van de buitenkant en de nageeflijkheid op de binnenteugel. Daardoor reikt het paard als het ware zelf naar de buitenteugel, hij zoekt de buitenhand op.
Functie's buitenteugel
|

|
De buitenteugel begrenst de mate van stelling en buiging. De buitenteugel reduceert, maar kan niks reduceren als er uberhaupt geen stelling en buiging is. Dus de binnenteugel produceert de stelling en de buitenteugel bepaald de mate van stelling.
In een latere fase zorgt de buitenteugel er voor dat het paard niet te diep loopt en zorgt de buitenteugel voor verzameling en oprichting.
|
Citaten
Egon von Neindorff:
''De buitenteugel is altijd tot nageven bereidt!''
Steinbrecht:
'"Wat de ene hand neemt, moet de andere geven'' |