|
|
De achterhand bestaat uit 7 gewrichten, te weten van boven naar beneden:
Het SI-gewricht, het heupgewricht, het kniegewricht, het spronggewricht, het kogelgewricht, het kroongewricht het hoefgewricht.
Het plaatje is uit het boek Paard Rijkunst van Hajas/Flandorffer ISBN 90 240 05817.
|
Een gewricht is een beweeglijke verbinding tussen twee botstukken waarvan de uiteinden zijn bekleed met kraakbeen. Dit kraakbeen is glad elastisch weefsel. Samen met gewrichtsvocht kan hierdoor een soepele beweging gemaakt worden en worden schokken opvangen.
SI- gewricht (sacro-iliacaal gewricht)
Het bekken van het paard is via het SI gewricht verbonden met de wervelkolom.
Heup en kniegewricht
Het heup- en het kniegewricht zijn het krachtigste, omdat de botten sterk en groot zijn en deze omgeven worden door krachtige spierpartijen. De ruiter dient deze krachten spiertechnisch te ontwikkelen en te beheersen:
Als deze krachten sterk ontwikkeld zijn kan het voorbeen ontlast worden en de onderste gewrichten van het onderbeen ontzien worden. Ook is de ruiter dan in staat om het ene moment de achterhand te laten stuwen en dan weer dragend te laten werken, zodat totale beheersing ontstaat.
| De achterhand moet voornamelijk in deze gewrichten buigen om gewicht te kunnen gaan dragen. Daartoe moet het paard eerst de juiste lengtebuiging aannemen, zodat het paard zijn binnenachterbeen onder de massa kan plaatsen en onder toenemend gewicht kan gaan buigen. Schouderbinnenwaarts is DE oefening hiervoor. |
 |
Spronggewricht
| De voornaamste aandacht bij het trainen van een paard moet liggen in het buigzaam maken van het heup- en kniegewricht. Het paard zal zich echter bij slechte training alleen in de zwakkere en minder stugge gewrichten buigen, waardoor allerlei kwalen kunnen ontstaan. Geen enkel gewricht kan zoveel kwalen ontwikkelen als het spronggewricht: spat, piephak, hazenhak, reebeen, gallen enz. komen nogal eens voor. Die kwalen ontstaan door overbelasting. Overbelasting ontstaat: als de spieren van de bovenste gewrichten nog niet voldoende ontwikkeld zijn en het paard toch al wordt opgericht; als het paard niet recht is en zijn achterbeen opzij van de last neerzet, i.p.v. dat het paard zijn binnenbeen onder de massa plaatst.
Hier ziet u een niet recht gericht paard dat het rechterachterbeen, dat op dit moment het binnenachterbeen is, naast de massa plaatst. Het rechter spronggewricht kan zo overbelast raken.
|
 |
Kogel-, kroon- en hoefgewricht
Het kogel-, kroon- en hoefgewricht zijn erg gevoelig voor de kwaliteit van de ondergrond waarop getraind wordt en het terrein waarin gereden wordt. Binnen- en buitenmaneges met een harde diepe hoefslag vragen om problemen aan spieren en pezen van deze gewrichten! Het paard kan kreupel worden door een verstuiking of verrekking en ook kunnen de pezen gaan ontsteken bij slechte bodem. Gallen komen ook veelvuldig voor.
Het gebruik van ijzers is ook van invloed op deze gewrichten omdat het hoefmechanisme daardoor afneemt en de hoef minder elastisch kan zijn om schokken te dempen.
Het buigen van het achterbeen
onbelast en ongebogen en stijf
|
/ belast en gebogen en elastisch
|
De volgorde voor het laten buigen van de achterhand is als volgt:
Stap 1: Lengtebuiging
Het paard moet eerst in zijn wervelkolom gelijkmatig leren buigen, voordat een paard zijn achterbenen kan gaan buigen. Dus richt het paard recht zodat het paard naar beide zijdes kan inbuigen. Het rijden van voltes en schoudervoor, waarbij de voorhand goed voor de achterhand gericht wordt, zijn hiervoor goede oefeningen.
Stap 2: Buiging van elk achterbeen afzonderlijk
Als het paard de juiste lengtebuiging kan aannemen, is het in staat zijn binnenachterbeen onder de massa te plaatsen.
Pas dan is het been in staat om te gaan buigen en meer gewicht te gaan dragen.
Men leert het paard ieder been afzonderlijk te buigen door oefeningen als schouderbinnenwaarts op 3 en 4 sporen, waarbij de ruiter regelmatig van hand veranderd. Daarmee verzameld het paard zich.
Een achterbeen kan alleen buigen als er meer gewicht op geplaatst wordt. Dit gewicht kunnen we overhevelen van de voorhand door het gewicht van het hoofd en de hals dichter naar het zwaartepunt van het paard te brengen. Door oprichting zal het paard meer gaan ’’zitten’’.
Stap 3: Buiging van beide achterbenen tegelijk
Pas als een paard in staat is beide achterbenen afzonderlijk te buigen door belasting, kan het paard gelijktijdig zijn achterbenen gaan buigen cq gewicht laten dragen en is het paard in staat om te piafferen (linkerplaatje) en de passage (rechterplaatje) te laten zien.
Plaatje is uit het boek HORSE, GAITS, BALANCE AND MOVEMENT van Susan E. Harris ISBN-87605-955-8
Daarbij geldt:
Hoe zwaarder de belasting, hoe meer buiging het achterbeen zal aannemen. Wanneer een last te vaak of te lang op een ’’veer’’ inwerkt, verslapt die veer en verliest het zijn veerkracht. Dus het devies is: belasten en weer tijdig ontlasten van de achterbenen door tijdig van hand te veranderen. Spieren worden groot en sterkt door van ontspanning, naar aanspanning, weer naar ontspanning te gaan.
Tijdens de lessen wordt hier aandacht aan besteed.
Sterke achterhand verkeerd gebruikt
Veel paarden hebben een sterke achterhand, maar sommige ruiters rijden hun paard zodanig dat deze sterke achterhand het totale gewicht van het paard met extra kracht naar de voorhand verschuift. De ruiter kan door verkeerd rijden bij het paard dus juist problemen en gebreken ontwikkelen. Door het paard op de voorhand te rijden, al dan niet met slofteugel, met teveel aanleuning (de ruiterhand wordt als het ware het 5e been waarop het paard steunt) ontstaat overbelasting op de voorhand met alle gevolgen van dien. Het paard loopt stijf, kort, gaat onregelmatig, komt in verzet, loopt scheef, wil niet buigen naar een bepaalde kant enz. Fysiotherapie, ostheopatie, onstekingsremmers worden vaak ingezet, maar zijn dan slechts symptoombestrijding, als de ruiter weer op de oude voet verder traint.
|