|

|
De galop is een beweging in een drietakt:
- Buitenachterbeen
- Binnenachterbeen, buitenvoorbeen
- Binnenvoorbeen
Daarna volgt een zweefmoment.
|
Er is een linker- en een rechtergalop. Op het plaatje ziet u de linkergalop. De volgorde van oplichten en neerzetten van de benen is als volgt: Rechterachterbeen, het diagonale benen paar: linksachter + rechtsvoor tegelijk, en dan het linkervoorbeen.
De tekeningen hieronder laten de rechtergalop zien.

In ieder takmoment kan in galop worden aangesprongen:
1. Buitenachterbeen
Het buitenbeen van de ruiter vraagt het buitenachterbeen om aan te galopperen. Daardoor wordt de eerste beweging van de galop aangesproken, zodat het paard in de eerste fase van de drietakt aanspringt.
2. Diagonale beenpaar
In de draf zet het paard zijn diagonale benenparen neer. Als het paard het binnenachterbeen en buitenvoorbeen neerzet in de draf kan op dat moment in de tweede fase van de galop aangesprongen worden. Daarna volgt het binnenvoorbeen en vervolgens het buitenachterbeen.
3. Binnenvoorbeen
Door het paard naar buiten te stellen, krijgt het binnenvoorbeen ruimte, waardoor het paard op het binnenvoorbeen aanspringt. Daarna volgt het buitenachterbeen en dan het diagonale benenpaar.
Keuze
De Academische Rijkunst kiest voor de 1e mogelijkheid. Het paard wordt voor het aanspringen in galop licht traversmatig gereden door het terugleggen van het buitenbeen, waarbij de binnenzitbeenknobbel wordt belast en een ophouding op de buitenteugel wordt gegeven.
|